Zoek Sitemap   
English    
Afzender
Radboud UniversiteitFaculteit der NWIBiologieHOMEWebmodulenLandschap en Natuur Nijmegen >     Geologie Heumensoord

    Geologie Heumensoord

De landschapsvorming in Heumensoord is in eerste instantie bepaald door afzettingen door rivieren en de aanwezigheid van landijs gedurende het Saalien, zo'n 200 000 tot 125 000 jaar geleden. Na een interglaciale periode genaamd Eemien is er weer een periode van extreme kou gekomen gedurende het Weichselien, maar deze keer zonder dat het land in deze regio met ijs bedekt werd. Vanaf ongeveer 10.000 jaar geleden is de temperatuur weer gestegen.
 
Stuwwallen en bodemafzettingen (gebied Heumensoord-Malden-Mook-Groesbeek)
Fluvio-glaciale afzetting Heumensoord-Malden-Mook
Profiel van afzetting Heumensoord, Malden, Mook en Groesbeek
Bron: "Geologische/Geomorfologische waarden", Bos en Kuil (naar D. Teunissen en A. Kempers; gebruikt met toestemming)

Impact van het landijs in het Saalien

In het Saalien (voorlaatste ijstijd; ± 200 000-125 000 jaar geleden; zie ook algemene geologie) rukte een honderden meters dikke pak landijs vanuit Scandinavië naar het zuiden toe. Het eindfront bereikte de huidige omgeving van Nijmegen. Tongen landijs stuwden een mengsel van preglaciaal materiaal en morenen op tot een meer dan honderd meter hoge stuwwal. Het preglaciaal materiaal bestond uit sedimenten die eerder door Rijn en Maas waren afgezet. Het morenemateriaal was meegedragen met het landijs vanuit Skandinavië. Het bekken van Groesbeek, bijvoorbeeld, was toen helemaal bedekt door de gletsjer. De stroom van Maas en Rijn die tot dan naar het noorden toe was gelopen werd door deze landijsmuur versperd. Deze twee rivieren werden ter hoogte van Gennep naar elkaar toe gedreven en ze werden gedwongen in de vorm van een verwilderd rivierstelsel naar het westen toe af te buigen, in de richting waar nu Dukenburg en de Berendonck liggen. De Rijn vormde toen het thans nog steeds breed dal van de latere Niers.
 

Vorming van Sandr vlakte na het Saalien

Toen het landijs zich terugtrok stroomde er smeltwater over de stuwwal heen. Veel materiaal werd naar naar lagere plaatsen meegevoerd. Het meegespoelde zand werd in de vorm van een zwak afhellende vlakte, een zogenaamde Sandr vlakte, aan de westelijke buitenkant van de stuwwal afgezet: zulke sedimentaties worden ook fluvio-glaciale spoelzand afzettingen of smeltwaterafzettingen genoemd. Er ontstond een sterk gelaagd pakket dat tot 30 meter dikte bedraagt en dat bestaat uit grof en fijner zand afgewisseld door grindbankjes met erin wat restanten uit graniet. Die granietbrokjes zijn stukjes stollingsgesteente, bestaande uit kwarts, veldspaten en mica's, die door het landijs helemaal vanuit Scandinavië meegevoerd zijn. Een deel van de oppervlakte van Heumensoord, waaronder het zweefvliegveld Malden, maar ook het bebouwde deel van Molenhoek, de Grote Lier (het open gebied tussen Malden en Molenhoek), het Maldensvlak, de Elshof en zuidelijk Nijmegen liggen op deze Sandr-vlakte. Naar het westen toe eindigt deze vlakte met een vrij abrupte "trede", waarschijnlijk ontstaan door zijdelings eroderende werking van het toenmalige Maas- en Rijnwater: hier stroomden de rivieren langs de stuwheuvels, met name in het gebied tussen Mook en Plasmolen, met name langs de Sint-Jansberg, spoelden ze zand af van de stuwwal die ze direct meevoerden stroomafwaards. Door erosie is de hoogte van het gehele stuwwal sinds het Saalien flink afgenomen.
 

Permafrost gedurende het Weichselien

Gedurende de laatste ijstijd, het Weichselien (ook Weichseliaan of Weichsel genoemd; ± 115 000-12 000 jaar geleden), bereikte het landijs Nederland niet meer. Wel kwamen er in het midden-Weichselien zeer koude en natte perioden voor, die hier een poolwoestijn veroorzaakten. De bodemlagen in de ondergrond bleven ook in de zomer bevroren; we noemen dit "permafrost". Op deze harde en ondoorlatende laag bevroren grond stroomde in de zomerperiode (sneeuw)smeltwater door geulen naar lagere plekken. In de hellingen werden diepe dalen, in de vlakte meer brede, ondiepe dalen uitgeschuurd. Het uitspoelen werd nog versterkt doordat het water dat immers niet door de bevroren ondergrond weg kon zakken, langzaam ontdooid moddermateriaal hellingafwaarts meevoerde. Het proces van het afglijden van doorweekt moddermateriaal wordt solifluctie genoemd. In tegenstelling tot de fluvio-glaciale afzettingen is het solifluctie materiaal ongelaagd (niet in lagen afgezet). Het uit deze dalen weggespoeld materiaal zand werd als puinkegels over een deel van de fluvioglaciale vlakte afgezet, onder andere in het gebied rond de Mulderskop (het driehoekig stukland tussen de spoorlijn naar vvenlo en de oudespoorlijn naar Groesbeek-Kleef).
 

Post-glaciale klimaatverzachting

Grind in de bodem van Heumensoord Na het ontdooien van de ondergrond volgend op de laatste ijstijd kon het water in de grove zand- en grindlagen gemakkelijk wegzakken. Nu vindt men deze afvoergangen in het terrein terug als zogenaamde droogdalen. Kenmerkend is dat ze ongeveer loodrecht op de algemene richting van de stuwheuvels liggen en dat ze vanaf de heuvels doorlopen tot in de eerder gevormde fluvioglaciale vlakte aan de westkant van de stuwheuvels. Voorbeelden van deze droge dalen zijn: het dal waar de oude spoorlijn Nijmegen-Kleef doorheen loopt (weliswaar bij de aanleg van de spoorlijn dieper uitgegraven), het Kraaiendal (noordelijk van de Maldensebaan), het Startsedal bij de Mookerheide en het diepe dal in het verlengde van de Hendrik van Nassaulaan in de Bisselt.
De fluvioglaciale vlakte wordt aan de westkant begrenst en aangesneden door oude en recente afzettingen (klei en rivierzand) van de grote rivieren. Hoe dichter men thans bij de Maas komt hoe meer klei in het zand van de sandr wordt aangetroffen.
 

Invloed van de mens op de landschapsontwikkeling

Sinds de laatste ijstijd ca. 10.000 jaar geleden is het klimaat zacht gebleven en hebben zich het landschap en de vegetatie zich tot een stabiel systeem ontwikkeld. De climaxvegetatie voor deze gebieden is een Eikenberkenbos (Querco-betuletum). Sporen van Romeinse wachthuis langs een legerbaan In de tijd dat de Romeinen in deze streek nederzettingen hadden, is dwars door Heumensoord een weg aangelegd dat Noviomagus (Nijmegen) via Ceuclum (Cuijk), Blariaco (Blerick) met Atuatuca Tungrorum (Tongeren) verbond. Midden in Heumensoord zijn de resten van deze heuse Romeinse Heerbaan en die van een wachtpoort die nu als een verhoging in het landschap uitsteekt nog te zien (Meer over deze Romeinse weg).

Vanaf de vroege middeleeuwen nam gestaag het gebruik van hout in deze omgeving toe, werden akkertjes aangelegd en deed zich (over)beweiding voor. Door die activiteiten van de mens ontwikkelde zich uit het bos een heidevegetatie gedomineerd door Struikheide (Calluna vulgaris). In het begin van de negentiende eeuw werden deze heidevelden weer ontgonnen, waarbij de "woeste grond" werd omgezet in akkerland. Delen werden als bos in gebruik genomen. Veel van deze terreinen zijn ingeplant met Grove Den, Corsicaanse Den en Zomereik, resp. Pinus sylvestris, Pinus nigra en Quercus robur. Niet alle heide is echter verdwenen en de laatste jaren wordt weer hout gekapt om de heide meer ruimte te geven. (Meer over de vegetatie). Tegen het einde van de negentiende eeuw werden dwars door het gebied de spoorlijnen van Nijmegen naar Venlo en van Nijmegen naar Kleef (in een droogdal) aangelegd.
 

Bronnen

Dit stuk is voor een groot gestaafd op het archief van wijlen dr. D. Teunissen en toevoegingen van drs. AJ Kempers uit de pagina "Geologische/Geomorfologische waarden" van de website Bos en Kuil (kaarten en gegevens overgenomen met toestemming).

laatst aangepast: 1 okt 2011